bam

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: BamBAM


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bam
Woordherkomst en -opbouw

Tussenwerpsel

[A] bam

  1. geluid van een dreunende klap
     Als Sandy Cortmann, gezeten in zijn rolstoel in een verzorgingstehuis in Aberdeen, vertelt over Arnhem, dan praat hij niet, maar ervaart hij die dagen aan de Nederrijn opnieuw. Zijn ogen draaien weg, zijn benen schudden, zijn armen zwaaien. „Takatakatakatakak. Prrrrrrrrrrt. Overal kogels. Bam. Bam. Bam. Bam. Bam. Bam. Het regent mortiergranaten. We schuilen bij een kerk. Bam. Bam. Bam. Bam.[3]
     „Je weet natuurlijk nooit precies wat je ter plekke aantreft, maar op een gegeven moment ken je het riedeltje wel zo’n beetje: hert in de natuur, jager met een geweer, bam!, hert dood, hert bij de poelier.”[4]
  2. (figuurlijk) om te benadrukken dat er plotseling iets opvallends gebeurt
     Bam. Ladies Night was amper een minuut bezig of het bracht een van de snelste mediaprimeurs van de Nederlandse televisiegeschiedenis. Midden in haar begroeting van gast Fidan Ekiz meldde presentator Merel Westrik zonder enige reserve dat Ekiz de opvolger wordt van Eva Jinek als dagelijkse talkshowhost op NPO1.[5]
     En stel je je het ‘nu’ voor als iets wat naadloos overgaat in de toekomst, of is er een abrupte overgang – bám, het ‘nu’ is afgelopen en de toekomst begint?[6]
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1] zo bam
    met een klap
  • [2] zo bam
    zomaar opeens
enkelvoud meervoud
naamwoord bam bammen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

[A] bam

  1. (spel) grote knikker met een doorsnee tussen 22 en 25 mm
     Deze knikkers zijn afhankelijk van de streek bekend onder de naam bonk, bul, bolder, bikkel, stuiter, bolleket, tienteller of bam.[7]
     Hij had als het ware twee gezinnen en Bep was jaloers op de aandacht die dat andere gezin kreeg. Dat laat ik in mijn voorstelling bijvoorbeeld zien doordat Bep geen bammen – van die grote knikkers – van haar vader mocht pakken; hij had ze speciaal voor kinderen van opdrachtgevers gekocht. Maar als Bep een keer in het huis van mevrouw Schröder is, ziet ze dat die kinderen wél bammen hebben gekregen.”[8]
  2. (figuurlijk) (informeel) (anatomie) teelbal
     De ballen produceren en bevatten het zaad van de man. Die functie zie je terug in namen als kamers ("Hij heeft flinke kamers"), zaadtubes en schalen (…). En wat doet een man het liefst met zijn maggies, bonkjes of bammen, om nog eens een paar dialectwoorden te noemen? Schieten! Vandaar strijdbare aanduidingen als kogels, granaten, patronen en neukpatronen.[9]
  3. (Suriname) aanbreken van de ochtend (alleen in onderstaande vaste verbinding)
     Eén ding was jammer: klokslag middernacht was het voorbij. ‘Waarom gaan we niet door tot bam?’, joelde ik.[10]
Typische woordcombinaties
  • [3] tot bam
    tot het aanbreken van de ochtend
enkelvoud meervoud
naamwoord bam bammen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

[B] bam v

  1. (familie) vrouw die er uitdrukkelijk voor kiest om zonder partner een of meer eigen kinderen groot te brengen
     De relatie gaat over, het verdriet duurt jaren, de nieuwe ware is niet te vinden en voor je het weet is je kans op het moederschap verkeken. Jaarlijks laten duizenden vrouwen met een kinderwens het zo ver niet komen: ze beginnen alleen aan een gezin. Deze bewust alleenstaande moeder, kortweg bam, heette in de jaren 70 en 80 nog bom, bewust ongehuwde moeder. Doordat sindsdien nog maar half zoveel wordt getrouwd, is die oude term in onbruik geraakt.[11]
Synoniemen
Afgeleide begrippen
enkelvoud meervoud
naamwoord bam* (bammen) *
verkleinwoord bammetje bammetjes

Zelfstandig naamwoord

bam v / m

  1. (informeel) snee brood
     Er was een klein bakje champignons en een kropje witlof. Wat een heerlijkheid op een geroosterde boterham. Dat roosteren van die bam doe je gewoon in de wok als de groente opzij geschoven is.[12]

Werkwoord

vervoeging van
bammen

bam

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bammen
    • Ik bam. 
  2. gebiedende wijs van bammen
    • Bam! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bammen
    • Bam je? 

Gangbaarheid

74 % van de Nederlanders;
62 % van de Vlamingen.[13]

Verwijzingen

  1. bam op website: Etymologiebank.nl
  2. bammetje op website: Etymologiebank.nl
  3. Bronlink geraadpleegd op 7 mei 2020 Weblink bron Melle Garschagen e.a. “De bevrijding van Nederland” (5 mei 2020) op nrc.nl
  4. Bronlink geraadpleegd op 7 mei 2020 Weblink bron Jos Jägers “‘Blijven proberen, lang wachten en vooral veel mazzel hebben’” (2 augustus 2019) op nrc.nl
  5. Bronlink geraadpleegd op 7 mei 2020 Weblink bron Arjen Fortuin “Een excuusman in Ladies Night” (17 oktober 2019) op nrc.nl
  6. Bronlink geraadpleegd op 7 mei 2020 Weblink bron Ellen de Bruin “Maar hoelang duurt het…nu?” (8 oktober 2019) op nrc.nl
  7. Bronlink geraadpleegd op 7 mei 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Knikkers - 22 tot 25mm” op knikkerprins.com
  8. Bronlink geraadpleegd op 7 mei 2020 Weblink bron Jessica van Geel “Hij liet zijn dochter half in de steek” (13 februari 2016) op nrc.nl
  9. Bronlink geraadpleegd op 7 mei 2020 Weblink bron Ewoud Sanders “Harige Harry's” (24 mei 2004) op nrc.nl
  10. Bronlink geraadpleegd op 7 mei 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie Suzanne Okkes “Woord van de dag: BAM!” (7 september 2018) op IkZegOokMaarWat.nl
  11. Bronlink geraadpleegd op 7 mei 2020 Weblink bron Sanne van der Kolk “Deze vrouwen hebben geen man, wel een kind” (4 maart 2018) op ad.nl
  12. Bronlink geraadpleegd op 7 mei 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie Annemiek van Deursen “Mijmering 10 Met groente belegde boterham, groente ovenschotel en een beetje lente....” (20 januari 2016) op AnnemieksMijmeringen.blogspot.com
  13. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Xhosa

Bezittelijk voornaamwoord

bam

  1. vorm van -m, verwijzend naar een eerste persoon enkelvoud in bezit van een woord van klasse 14: mijn

bam

  1. vorm van -m, verwijzend naar een eerste persoon enkelvoud in bezit van een woord van klasse 2: mijn