alleenstaande

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • al·leen·staan·de
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘vrijgezel’ voor het eerst aangetroffen in 1984 [1]
  • Afgeleid van alleenstaand met het achtervoegsel -e [2]

Bijvoeglijk naamwoord

alleenstaande

  1. verbogen vorm van de stellende trap van alleenstaand
enkelvoud meervoud
naamwoord alleenstaande alleenstaanden
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

alleenstaande m/v

  1. (maatschappij) iemand die geen partner heeft
    • Naast hen woonde een alleenstaande van in de zestig. 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen