Naar inhoud springen

autisme

Uit WikiWoordenboek
  • au·tis·me
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘op zichzelf gericht zijn’ voor het eerst aangetroffen in 1919 [1]
  • Afgeleid van het Griekse αυτός (zelf) met het achtervoegsel -isme.
enkelvoud meervoud
naamwoord autisme autismen, autismes
verkleinwoord - -

hetautismeo

  1. (psychologie) een ontwikkelingsstoornis in de hersenen, zich bij personen uitend in een moeilijk contact maken met de omgeving
     In deze gigantische studie werd in totaal bij 6517 kinderen autisme vastgesteld.[2]
     Hij waarschuwde voor een toename van autisme in het Verenigd Koninkrijk, waar het BMR-vaccin in 1988 algemeen was ingevoerd.[2]
98 %van de Nederlanders;
98 %van de Vlamingen.[3]
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  autisme     l'autisme     autismes     les autismes  

autisme m

  1. (psychologie) autisme