autist

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • au·tist
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord autist autisten
verkleinwoord autistje autistjes

Zelfstandig naamwoord

autist m

  1. iemand die autisme heeft
    • In deze klas zitten twee autisten, die hebben soms wat extra aandacht nodig. 
  2. (scheldwoord) beschuldiging dat iemands gedrag of gedachte onaangepast is
    • Natuurlijk had je bier moeten halen, ben je een autist ofzo? 
    • Hij begon me op de zenuwen te werken, die stomme autist! [2]
    • Ik stak mijn hand uit en pakte de papieren, maar Peña rukte ze uit mijn hand en borg ze op in een la van zijn bureau, die de verdomde autist met een klap dichtschoof. [3]
    • Als een student die bij mij een mondeling tentamen heeft gedaan haar verontwaardiging over mijn ontwijkende gedrag kenbaar maakt met de opmerking “die man is een autist!” dan hoeft ze echt niet uitvoerig uit te leggen wat ze daarmee bedoelt. Het woord 'autist' roept een stereotypisch beeld op van een contactgestoorde persoonlijkheid. Klaarblijkelijk is 'autist' niet zo maar een beschrijvende term, maar is het een beschrijvende term waar een negatieve lading aan vast zit. [4]
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Engels

enkelvoud meervoud
autist autists

Zelfstandig naamwoord

autist

  1. autist