augurk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Augurken.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • au·gurk
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Nederduits, in de betekenis van ‘kleine komkommer’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1651 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord augurk augurken
verkleinwoord augurkje augurkjes

Zelfstandig naamwoord

augurk v

  1. kleine, in het zuur ingemaakte komkommer
    • De augurk behoort plantkundig gezien tot dezelfde soort als de komkommer. 
    • De zwangere vrouw at de hele dag augurken. 
     Al dagen fantaseerde ik wat ik zou gaan bestellen: een dubbele hamburger met kaas, augurken en ketchup en hopelijk hadden ze ook mayo voor bij de friet. Het water liep me spontaan in de mond als ik dacht aan een vanille milkshake en cola met ijs.[2]
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen