armoede

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ar·moe·de
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘gebrek’ voor het eerst aangetroffen in 901 [1]
  • uit het Oudnederlands [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord armoede -
verkleinwoord armoedje armoedjes

Zelfstandig naamwoord

armoede v/m

  1. (economie) de toestand waarin iemand leeft die zeer weinig middelen voor zijn levensonderhoud heeft
    • De armoede van het gezin was schrijnend nadat beide ouders hun werk verloren. 
    • Armoede is een relatief begrip, de arme van nu leeft comfortabeler dan de rijke van 100 jaar geleden. 
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen