allegro

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

1. Het allegro uit het celloconcert in G-majeur van Vivaldi op Wikipedia (nl).
Uitspraak
Woordafbreking
  • al·le·gro
Woordherkomst en -opbouw

Bijwoord

allegro

  1. (muziek) opgewekt en levendig gespeeld zodat het vrolijk klinkt
    • Eindelijk begon men met een allegro gezongen: "Sa doe! A sa! oooh!" [3]
Hyponiemen
enkelvoud meervoud
naamwoord allegro allegro's
verkleinwoord allegrootje allegrootjes

Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie als zelfstandig naamwoord

Zelfstandig naamwoord

allegro o

  1. (muziek) muziekstuk of deel daarvan dat opgewekt en levendig gespeeld moet worden
    • Maar de nazi’s probeerden jazz wel te temmen. Django put herhaaldelijk uit de richtlijnen die de Duitse Gauleiter in Praag uitvaardigde voor jazzbandjes: geen riffs, drumsolo’s of scat, maximaal 20 procent foxtrot en 10 procent syncopatie, levenslustige teksten zonder "joodse somberheid", een vlot allegro "passend bij het Arische gevoel voor discipline en gematigdheid", evenwel zonder in het jachtige tempo van "hot jazz" te vervallen, geen snaarplukken, de contrabas louter met strijkstok bespelen, enzovoorts. [4]
    • In het daarop volgend allegro wordt de eenheid, maar ook de taalverscheidenheid tussen Vlamingen en Walen beklemtoond:
      En van Aerlen tot Oostenden
      By bekenden, onbekenden
      En by Vlaming en by Wael
      Roept men in de Moedertael:
      Leve! Leve! Ja, Hij leve!!...
       [5]

Gangbaarheid

84 % van de Nederlanders;
89 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Tsjechisch

Uitspraak
  • IPA: /alɛgrɔ/
Woordafbreking
  • al·leg·ro
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het Italiaanse allegro

Bijwoord

allegro

  1. (muziek) allegro; opgewekt, vrolijk, levendig
Afgeleide begrippen

Verwijzingen