afgod

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·god
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord afgod afgoden
verkleinwoord afgodje afgodjes

Zelfstandig naamwoord

afgod m

  1. een andere god dan de ene God; een "valse" god
    Gij zult geen afgoden vereren, maar Mij alleen aanbidden en boven alles beminnen.[3]
  2. iemand of iets wat als een god vereerd wordt
    Zijn vrouw is zijn afgod.
    De beroemde voetballer is de afgod van veel kinderen.
    De auto is voor veel mannen hun afgod.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Verwijzingen
  1. Oudnederlands woordenboek
  2. etymologiebank.nl
  3. Eerste gebod van de tien geboden volgens de katholieke indeling.

Meer informatie