afgod

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·god
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord afgod afgoden
verkleinwoord afgodje afgodjes

Zelfstandig naamwoord

afgod m

  1. een andere god dan de ene God; een "valse" god
    • Gij zult geen afgoden vereren, maar Mij alleen aanbidden en boven alles beminnen. [4]
  2. iemand of iets wat als een god vereerd wordt
    • Zijn vrouw is zijn afgod. 
    • De beroemde voetballer is de afgod van veel kinderen. 
    • De auto is voor veel mannen hun afgod. 
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen