idool

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • idool
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘afgod(sbeeld)’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1462 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord idool idolen
verkleinwoord idooltje idooltjes

Zelfstandig naamwoord

idool o

  1. een persoon die verheerlijkt wordt.
    • Het idool trad voor duizenden mensen op in de concerthal. 
  2. (religie) persoon of voorwerp dat als een godheid wordt aanbeden.
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen