abonnement

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • abon·ne·ment
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Frans [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord abonnement abonnementen
verkleinwoord abonnementje abonnementjes

Zelfstandig naamwoord

abonnement o

  1. een contract waarbij een persoon op geregelde tijden (bijvoorbeeld wekelijks of maandelijks) een tijdschrift of dergelijke ontvangt
    • Wij hebben een abonnement op de krant. 
  2. een regeling, waarbij een eenmalige of periodieke betaling wordt gedaan, welke recht geeft op een gedurende een bepaalde periode onbeperkte gebruikmaking van een bepaalde service
    • Hij heeft een abonnement op het zwembad. 
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen