Naar inhoud springen

babbel

Uit WikiWoordenboek
  • bab·bel
enkelvoud meervoud
naamwoord babbel babbels
verkleinwoord babbeltje babbeltjes

debabbelm

  1. vlot gepraat of het vermogen daartoe
    • Hij heeft een vlotte babbel. 
  2. iemand die veel en graag praat
vervoeging van
babbelen

babbel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van babbelen
    • Ik babbel. 
  2. gebiedende wijs van babbelen
    • Babbel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van babbelen
    • Babbel je? 
     Ik voel Hannahs zwaarte, Joy's stuurse zwijgen, Bibi's verweesdheid. En dus praat ik. Ik babbel. Ik kabbel. Ik zorg ervoor dat er een zacht stroompje tussen ons in loopt. Ik probeer het léúk te houden.[2]
99 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[3]
  1. babbel op website: Etymologiebank.nl
  2. Marion Pauw e.a.
    “4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be