wenden
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- wen·den
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| wenden |
wendde |
gewend |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
wenden
- (overgankelijk) een andere richting inslaan
- (onovergankelijk) (scheepvaart) van koers veranderen, bij zeilen vooral ook "door de wind gaan": "overstag gaan" of "gijpen"
- Klaar om te wenden? Ree!
- (wederkerend) zich ~ tot: een persoon of instelling aanspreken
- Hij wendde zich tot de bisschop.
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
- [1] afslaan, bijdraaien, draaien, keren, omdraaien, opzijgaan
- [2] afvallen, bijdraaien, gijpen, koerswijzigen, oploeven, overstag,
- [3] aanklampen, aanspreken
Uitdrukkingen en gezegden
- [1]: zich niet kunnen wenden of keren
met teveel mensen in een ruimte zijn zodat men zich niet kan bewegen
- [1]: hoe je het ook wendt of keert
wat je ook probeert, je kunt het niet veranderen
Vertalingen
1. wenden
2. andere koers gaan varen
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| wennen |
wenden
- meervoud verleden tijd van wennen
- Wij wenden.
- Jullie wenden.
- Zij wenden.
- Wij wenden.