keren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ke·ren
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| keren |
keerde |
gekeerd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
keren
- (overgankelijk) de andere zijde toewenden
- Hij keerde de lap stof zodat de ongebruikte zijde te voorschijn kwam.
- (ergatief) een voertuig een bocht van 180 graden doen maken
- Ik vermoedde dat ik op de verkeerde weg zat en ben daarom maar even gekeerd en teruggereden.
Vertalingen
Zelfstandig naamwoord
keren mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord keer