pet
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- pet
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | pet | petten |
| verkleinwoord | petje | petjes |
Zelfstandig naamwoord
- een redelijk plat hoofddeksel met een klep, in Vlaanderen 'klak' genoemd.
- Een boer heeft vaak een pet op.
Gelijkklinkende woorden
Verwante begrippen
Spreekwoorden
Spreekwoorden
|
Daar kan ik met mijn pet niet bij
Daar neem ik mijn petje voor af
Dat gaat boven mijn pet
Er met de pet naar gooien
Het is huilen met de pet op
Ik heb geen hoge pet van hem op
|
Vertalingen
1.
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | pet | |
| verkleinwoord |
Zelfstandig naamwoord
- (afkorting), (letterwoord) de afkorting voor polyetheentereftalaat, een kunststof.
- Een fles voor mineraal water is vaak van pet gemaakt.
Gelijkklinkende woorden
Synoniemen
Verwante begrippen
Bijwoord
- erg slecht.
- Het weer was vandaag pet.
Synoniemen
Bretons
Uitspraak
- IPA: /pɛd/
Vragend telwoord
pet
Engels
Uitspraak
| enkelvoud | meervoud |
|---|---|
| pet | pets |
Zelfstandig naamwoord
pet
Frans
Zelfstandig naamwoord
pet m
Friulisch
Zelfstandig naamwoord
pet
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Afkorting in het Nederlands
- Letterwoord in het Nederlands
- Bijwoord in het Nederlands
- Woorden in het Bretons
- Vragend telwoord in het Bretons
- Woorden in het Engels
- Zelfstandig naamwoord in het Engels
- Woorden in het Frans
- Zelfstandig naamwoord in het Frans
- Woorden in het Friulisch
- Zelfstandig naamwoord in het Friulisch