plastic
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: Bestand bestaat nog niet. Aanmaken?
- IPA:
- (Noord-Nederland): /'plɛstɪk/
- (Vlaanderen, Brabant, Limburg): /'plɑstik/ ~ /plɑs'tik/
Woordafbreking
- plas·tic
Woordherkomst en -opbouw
- Ontleend aan het Engelse plastic.
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | plastic | plastics |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
plastic o
- oorspronkelijk: plastisch vervormbare polymere kunststof, in uitgebreidere zin op alle polymeren toegepast
- Die bloemen zijn nep, ze zijn van plastic .
Synoniemen
- (Belgisch- en Limburgs-Nederlands) plastiek
| stellend | |
|---|---|
| onverbogen | plastic |
| verbogen | plastic |
Bijvoeglijk naamwoord
plastic
- alleen attributief: van plastic gemaakt
- Ze zit toch niet met een plastic lepeltje te eten?
Synoniemen
- (Belgisch- en Limburgs-Nederlands) plastieken