hoed
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: hoed (hulp, bestand)
- IPA:
- (Noord-Nederland): /ɦut/
- (Vlaanderen, Brabant): /ɦut/
- (Limburg): /hud/
Woordafbreking
- hoed
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | hoed | hoeden |
| verkleinwoord | hoedje | hoedjes |
Zelfstandig naamwoord
hoed m
- (kleding) een hoofddeksel
- (mycologie) het bovenste gedeelte van het vruchtlichaam van een zwam
- (dierkunde) het koepelvormige deel van een kwal
Vertalingen
1. een hoofddeksel
|
|
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| hoeden |
hoed
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hoeden
- Ik hoed.
- gebiedende wijs van hoeden
- Hoed!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hoeden
- Hoed je?
Afrikaans
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | hoed | hoede |
Zelfstandig naamwoord
hoed