nagel

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • na·gel

Zelfstandig naamwoord

enkelvoud meervoud
naamwoord nagel nagels
verkleinwoord nageltje nageltjes

nagel m

  1. (anatomie) hoornachtige bedekking op de bovenkant van vingers en tenen.
  2. afdruk van een nagel.
  3. spijker (meestal met een kleine kop).
  4. (verkorting van) kruidnagel
Spreekwoorden
  • Geen nagel meer hebben om zijn kont te krabben (informeel).
  • Arm zijn.
  • Iemand het bloed onder de nagels vandaan halen.
  • Iemand heel erg tergen.
  • Op zijn nagels bijten.
  • Uiting van zenuwachtigheid of diep nadenken.
Vertalingen


Limburgs

Uitspraak
  • IPA: /naːɣɐɫ/ (Etsbergs)

Zelfstandig naamwoord

nagel m

  1. nagel
  2. spijker
  3. kruidnagel
  4. scherpe rand.
Verbuiging
enkelvoud meervoud
geheel gemuteerd verkleind gemuteerd verkleind geheel gemuteerd verkleind gemuteerd verkleind
nominatief nagel - naegelke - naegel - naegelkes -
genitief nagels - naegelkes - naegel - naegelkes -
locatief nageles - nageleske - nagelese - nageleskes -
datief nagele - naegelke - naegel - naegelkes -
accusatief nagel - naegelke - naegel - naegelkes -



Zweeds

Uitspraak
Woordafbreking
  • na·gel

Zelfstandig naamwoord

nagel g

  1. (anatomie) nagel.
Verbuiging
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   nagel     nageln     naglar     naglarna  
genitief   nagels     nagelns     naglars     naglarnas  
Afgeleide begrippen
Persoonlijke instellingen