primaat
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- pri·maat
Woordherkomst en -opbouw
- Naamwoord van handeling van primeren met het achtervoegsel -aat
- afgeleid van het Latijnse primatus met het achtervoegsel -aat [1]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | primaat | primaten |
| verkleinwoord |
Zelfstandig naamwoord
primaat m
- een zoogdier van de orde der primates
, waartoe apen en halfapen behoren
- Ook de mens is een primaat.
- een kerkelijke titel voor de voornaamste aartsbisschop van een kerkprovincie
- Hij is aartsbisschop van Brussel en primaat van België.
Afgeleide begrippen
Vertalingen
2. kerkelijke titel
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | primaat | - |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
primaat o
- de omstandigheid dat iets het belangrijkste is, dat het voorrang krijgt op al het andere, dat het prevaleert
- Daarmee wordt het primaat van de economische groei nog niet losgelaten.
- oppergezag
Vertalingen
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.