primaat

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pri·maat
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord primaat primaten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

primaat m

  1. een zoogdier van de orde der primates Wikispecies-logo-en.png, waartoe apen en halfapen behoren
    Ook de mens is een primaat.
  2. een kerkelijke titel voor de voornaamste aartsbisschop van een kerkprovincie
    Hij is aartsbisschop van Brussel en primaat van België.
Afgeleide begrippen
Vertalingen


enkelvoud meervoud
naamwoord primaat -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

primaat o

  1. de omstandigheid dat iets het belangrijkste is, dat het voorrang krijgt op al het andere, dat het prevaleert
    Daarmee wordt het primaat van de economische groei nog niet losgelaten.
  2. oppergezag
Vertalingen

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl