muis
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: muis (hulp, bestand)
- IPA:
- (Noord-Nederland): /mœʏ̯s/
- (Vlaanderen, Brabant, Limburg): /mœːs/
Woordafbreking
- muis
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | muis | muizen |
| verkleinwoord | muisje | muisjes |
Zelfstandig naamwoord
muis v
- (knaagdieren) klein knaagdier, meestal van het geslacht Mus, met spitse snuit, grote oren en ogen en een lange, bijna onbehaarde staart
- verlegen, onopvallend persoon
- (informatica) invoerapparaat voor de computer dat wordt bewogen over een mat of ander oppervlak om een aanwijzer op een beeldscherm te bewegen
- Mijn muis was stuk dus moest ik alles met het toetsenbord doen.
- (anatomie) het onderste vlezige deel van de duim
- (alleen verkleinwoord meervoud) gesuikerde anijszaadjes, gebruikt als broodbeleg
- Als er een kind geboren is, wordt traditioneel getrakteerd op beschuit met muisjes.
Synoniemen
- [3] computermuis
Verwante begrippen
Spreekwoorden
- Als de kat van huis is, dansen de muizen (op tafel)
- Als er geen toezicht is, doen de kinderen waar ze zin in hebben
- Het schip is met man en muis vergaan
- Het schip heeft schipbreuk geleden zonder overlevenden
- Zo stil als een muis, muisstil
- Heel erg stil
Vertalingen
1. knaagdier
2. Verlegen, onopvallend persoon
3. computermuis
4. Onderste deel van de duim
5. Gesuikerde anijszaadjes
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.