link

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • link
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen link linker linkst
verbogen linke linkere linkste
partitief links linkers -

Bijvoeglijk naamwoord

link

  1. gevaarlijk, riskant
    Voor Europeanen is autorijden in Engeland een linke zaak.
  2. sluw
    Zakkenrollers zijn erg link.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
enkelvoud meervoud
naamwoord link links
verkleinwoord linkje linkjes

Zelfstandig naamwoord

link m

  1. een betrekking of relatie
    Kun jij wél een link leggen tussen die gebeurtenissen?
  2. (informatica) een verwijzing
    Klik op deze link om door te gaan.
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
linken

link

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van linken
    Ik link.
  2. gebiedende wijs van linken
    Link!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van linken
    Link je?

Meer informatie


Engels

enkelvoud meervoud
link links

Zelfstandig naamwoord

link

  1. link