hachelijk
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ha·che·lijk
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | hachelijk | hachelijker | hachelijkst |
| verbogen | hachelijke | hachelijkere | hachelijkste |
Bijvoeglijk naamwoord
hachelijk
- aanmerkelijk aan gevaar of risico blootstaand
- De tocht over het ijsveld was een hachelijke onderneming.