bezit

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·zit
enkelvoud meervoud
naamwoord bezit -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

bezit o

  1. datgene wat men in eigendom heeft
    De auto was niet zijn bezit.
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
bezitten

bezit

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van bezitten
  2. gebiedende wijs van bezitten
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen