bezit
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- be·zit
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | bezit | - |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
bezit o
- datgene wat men bezit
- De auto was niet zijn bezit.
- (juridisch) het houden of genieten van een zaak, die iemand in persoon, of door een ander in zijn macht heeft, alsof zij hem toebehoorde
Verwante begrippen
Vertalingen
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| bezitten |
bezit