duo

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • duo
enkelvoud meervoud
naamwoord duo duo's
verkleinwoord duootje duootjes

Zelfstandig naamwoord

duo

  1. o; twee personen die een (acterende of musicerende) groep vormen
  2. m; duozitting
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Meer informatie


Latijn

Hoofdtelwoord (lat)
0
1 11 10 100 103
2 12 20 200 106
3 13 30 300 109
4 14 40 400 1012
5 15 50 500 1015
6 16 60 600 1018
7 17 70 700 1021
8 18 80 800 1024
9 19 90 900 1027

Hoofdtelwoord

duo

  1. twee
Schrijfwijzen
  • Romeins cijfer: II.



Minangkabaus

Telwoord (min)
0
1 11 10 100 103
2 12 20 200 106
3 13 30 300 109
4 14 40 400 1012
5 15 50 500 1015
6 16 60 600 1018
7 17 70 700 1021
8 18 80 800
9 19 90 900

Hoofdtelwoord

duo

  1. twee