trio
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- trio
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | trio | trio's |
| verkleinwoord | triootje | triootjes |
Zelfstandig naamwoord
trio o
- (muziek) een muziekstuk voor drie spelers
- We hebben een leuk triootje gespeeld vanmiddag.
- een groep van drie personen die gezamenlijk optreedt
- Dit trio heeft grote bekendheid verworven.
Vertalingen
1. een muziekstuk voor drie spelers
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.