koppel
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- kop·pel
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | koppel | koppels |
| verkleinwoord | koppeltje | koppeltjes |
Zelfstandig naamwoord
koppel o
- tweetal
- aantal bij elkaar behorende dieren of zaken
- (natuurkunde) stelsel van twee in absolute zin gelijke en evenwijdige krachten, waarvan de werklijnen niet samenvallen en die in tegengestelde richting werken
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
- koppelblad, koppelgording, koppelkoers, koppelomvormer, koppelring, koppelstang, koppelteken, koppelverkoop, koppelwerkwoord, koppelverband
Verwante begrippen
Vertalingen
3. stelsel van twee gelijke en evenwijdige krachten...
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | koppel | koppels |
| verkleinwoord | koppeltje | koppeltjes |
Zelfstandig naamwoord
koppel m
- draagriem, vooral om een sabel, bajonet enz. aan te dragen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| koppelen |
koppel