denken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Uitspraak
  • IPA: /ˈdɛŋkə(n)/
Woordafbreking
  • den·ken
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: denken
Oudnederlands: thenken
Germaans: *þankijanan
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: think (Angelsaksisch: þenċan), Duits: denken, (Oudhoogduits: denken), Fries: tinke (Oudfries: thenka, thenza, thinza)
Noord: Zweeds: tänka, Deens: tænke, Noors: tenke, (Oudnoors: þekkja), IJslands: þekkja, Faeröers: tekkja
Oost: Gotisch: þagkjan
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
denken
/'dɛŋkə(n)/
dacht
/dɑxt/
gedacht
/ɣə'dɑxt/
zwak -cht volledig

Werkwoord

denken

  1. (inergatief) een oplossing proberen te zoeken
  2. biologisch proces in de hersenen
  3. een bepaalde mening toegedaan zijn
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie


Duits

Uitspraak
  • IPA: /dɛŋk(ə)n/
Woordafbreking
  • den·ken
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudhoogduitse denken.
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
denken
/dɛŋk(ə)n/
dachte
/daxtə/
gedacht
/gəˈdaxt/
volledig

Werkwoord

denken

  1. denken
    «Woran denkst du?»
    Waaraan denk je?