geloven

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
geloven
geloofde
geloofd
zwak -d volledig

Werkwoord

geloven

  1. (overgankelijk) overtuigd zijn dat iets waar is.
    Hij geloofde dat de aarde door vliegende schotels bezocht werd.
  2. (overgankelijk) iemand ~: zich door iemand laten overtuigen
    Hij geloofde de oplichter en deze wist hem veel geld af te troggelen.
Vertalingen
Persoonlijke instellingen