geloven
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| geloven |
geloofde |
geloofd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
geloven
- (overgankelijk) overtuigd zijn dat iets waar is.
- Hij geloofde dat de aarde door vliegende schotels bezocht werd.
- (overgankelijk) iemand ~: zich door iemand laten overtuigen
- Hij geloofde de oplichter en deze wist hem veel geld af te troggelen.
Vertalingen
1. overtuigd zijn dat iets waar is