controleren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- con·tro·le·ren
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| controleren |
controleerde |
gecontroleerd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
controleren
- (overgankelijk) inspecteren, toezicht houden, onderzoeken, nazien
- als gevolg daarvan was het nodig om te controleren op stabiliteit en betrouwbaarheid.
- (overgankelijk) beheersen, overheersen
- het experiment waarbij mensen met hun gedachten computers controleren is niet het eerste in zijn soort, rapporteert Wired
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen
1. inspecteren, toezicht houden, onderzoeken, nazien