nakijken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • na·kij·ken
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstelling van kijken met het voorvoegsel na-.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
nakijken
keek na
nagekeken
klasse 1 volledig

Werkwoord

nakijken

  1. iets ~: corrigeren van een geschreven tekst of huiswerk
    Eén voor één keek de leraar alle proefwerken na.
  2. iets/iemand ~ : een blik werpen op (iets of) iemand die vertrekt
    Ik keek haar na tot ze de hoek omliep.
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord nakijken -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

nakijken o

  1. ~ geven: iemand overklassen
    De spits gaf met die flinke trap de keeper het nakijken.
  2. ~ hebben: overklast worden door iemand
    Na die flinke trap had de keeper het nakijken.