nakijken
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- na·kij·ken
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| nakijken |
keek na |
nagekeken |
| klasse 1 | volledig | |
Werkwoord
nakijken
- iets ~: corrigeren van een geschreven tekst of huiswerk
- Eén voor één keek de leraar alle proefwerken na.
- iets/iemand ~ : een blik werpen op (iets of) iemand die vertrekt
- Ik keek haar na tot ze de hoek omliep.
Vertalingen
1. corrigeren van een geschreven tekst of huiswerk
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | nakijken | - |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
nakijken o
- ~ geven: iemand overklassen
- De spits gaf met die flinke trap de keeper het nakijken.
- ~ hebben: overklast worden door iemand
- Na die flinke trap had de keeper het nakijken.