beheersen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- be·heer·sen
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| beheersen |
beheerste |
beheerst |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
beheersen
- (overgankelijk) meester zijn over, het gezag uitoefenen over
- (overgankelijk) volledig verstaan
- De student beheerst de leerstof.
Vertalingen
1. meester zijn, het gezag uitoefenen