beheersen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
beheersen
beheerste
beheerst
zwak -t volledig
Woordafbreking
  • be·heer·sen

Werkwoord

beheersen

  1. (overgankelijk) meester zijn over, het gezag uitoefenen over
  2. (overgankelijk) volledig verstaan
    De student beheerst de leerstof.
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen