overheersen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
| naamwoord van handeling | |
|---|---|
| zelfstandig | bijvoeglijk |
| overheersen | overheersend |
| overheersing | overheerst |
Woordafbreking
- over·heer·sen
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| overheersen |
overheerste |
overheerst |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
overheersen
- (overgankelijk) de macht uitoefenen over een ander volk
- Spanje is zeven eeuwen overheerst door de Moren.
Vertalingen
1. de macht uitoefenen over een ander volk