surveilleren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- sur·veil·le·ren
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| surveilleren |
surveilleerde |
gesurveilleerd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
surveilleren
- (onovergankelijk) toezicht houden
- Ik moest surveilleren bij het eindexamen.