buitmaken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • buit·ma·ken
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
buitmaken
maakte buit
buitgemaakt
zwak -t volledig

Werkwoord

buitmaken

  1. (overgankelijk) met geweld in beslag nemen
    De piraten hadden een Iraans schip buitgemaakt.