buitmaken
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- buit·ma·ken
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| buitmaken |
maakte buit |
buitgemaakt |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
buitmaken
- (overgankelijk) met geweld in beslag nemen
- De piraten hadden een Iraans schip buitgemaakt.