plunderen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- plun·de·ren
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| plunderen |
plunderde |
geplunderd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
plunderen
- (overgankelijk) met geweld zich roerende goederen toe-eigenen uit de woning van iemand anders