plunderen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • plun·de·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
plunderen
plunderde
geplunderd
zwak -d volledig

Werkwoord

plunderen

  1. (overgankelijk) met geweld zich roerende goederen toe-eigenen uit de woning van iemand anders
Vertalingen