beroven
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
| naamwoord van handeling | |
|---|---|
| zelfstandig | bijvoeglijk |
| beroven | berovend |
| beroving | beroofd |
Uitspraak
Woordafbreking
- be·ro·ven
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| beroven |
beroofde |
beroofd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
beroven
- (overgankelijk) iemand met geweld zijn bezit ontnemen
- Zij werden plotseling aangevallen en beroofd van al hun bezittingen.
- iemand het genot van iets doen missen, zaken ontdoen van iets