boot

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • boot
enkelvoud meervoud
naamwoord boot boten
verkleinwoord bootje bootjes

Zelfstandig naamwoord

boot v/m

  1. (scheepvaart) een klein vaartuig
    Ik vaar in het weekend met mijn boot.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • in de boot nemen
  • de boot is aan
  • uit de boot vallen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
boten

boot

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van boten
  2. gebiedende wijs van boten

Meer informatie