boot

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • boot
enkelvoud meervoud
naamwoord boot boten
verkleinwoord bootje bootjes

Zelfstandig naamwoord

boot v/m

  1. (scheepvaart) een klein vaartuig
    Ik vaar in het weekend met mijn boot.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • in de boot nemen
  • de boot is aan
  • uit de boot vallen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
boten

boot

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van boten
    Ik boot.
  2. gebiedende wijs van boten
    Boot!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van boten
    Boot je?

Meer informatie