schuit
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- schuit
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | schuit | schuiten |
| verkleinwoord | schuitje | schuitjes |
Zelfstandig naamwoord
- (scheepvaart) een eenvoudig open vrachtvaartuig zonder dek, opbouw of aandrijving
- Het schuitje lag vlak bij de haven in het water te dobberen.
- (textielindustrie) bij het weven gebruikte houder met het klosje garen
- (schertsend) een grote schoen
- Wat een schuiten heb je toch!
Synoniemen
- [2] schietspoel, werpspoel
Hyperoniemen
- [1] schip
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
- [1] duwbak, vaarboom, jaagpad, sleepboot, vrachtschip, trekvaart
- [2] draad, inslag, schering, spoel, weefgetouw
Uitdrukkingen en gezegden
- in hetzelfde schuitje zitten
in dezelfde moeilijkheden zitten
Vertalingen
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.