agent
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- agent
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | agent | agenten |
| verkleinwoord | agentje | agentjes |
Zelfstandig naamwoord
agent m
- een persoon die belast is met de handhaving van de openbare orde en veiligheid.
- De agent deelde een bekeuring uit aan de wildplassers.
- een vertegenwoordiger van een bedrijf.
- Hij ging naar de agent die zijn bankzaken regelde.
Synoniemen
- [1] politieagent
Vertalingen
2. een vertegenwoordiger van een bedrijf
Tsjechisch
Zelfstandig naamwoord
agent m