zolder

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zol·der
Woordherkomst en -opbouw
  • [1] leenwoord met als ontwikkelingsweg:
Middelnederlands: solder, solre, soller «plat dak, terras, zolder»
Latijn: solarium «plat dak (waarop de zon valt)»
enkelvoud meervoud
naamwoord zolder zolders
verkleinwoord zoldertje zoldertjes

Zelfstandig naamwoord

zolder m

  1. (bouwkunde) een houten vloer over een balklaag
  2. (bouwkunde) de ruimte tussen de bovenste vloer en de onderste kapspanten, plaats om goederen op te slaan
  3. ruimte onder een (schuin) dak
    • Haal jij die dozen even van de zolder? 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
zolderen

zolder

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zolderen
    • Ik zolder. 
  2. gebiedende wijs van zolderen
    • Zolder! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zolderen
    • Zolder je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie