zolderen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zol·de·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
zolderen
zolderde
gezolderd
zwak -d volledig

Werkwoord

zolderen

  1. overgankelijk (bouwkunde) een zoldering aanbrengen
    • Wordt die kamer gezolderd? 
  2. overgankelijk op zolder zetten ter berging
    • Het graan werd in het andere gebouw gezolderd. 

Gangbaarheid

65 % van de Nederlanders;
65 % van de Vlamingen.