solarium

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • so·la·ri·um
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘inrichting voor (kunstmatig) zonnebad’ voor het eerst aangetroffen in 1912 [1]
  • afgeleid van het Latijnse sol (zon) met het achtervoegsel -arium [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord solarium solaria
solariums
verkleinwoord solariummetje
solariumpje
solariummetjes
solariumpjes

Zelfstandig naamwoord

solarium

  1. o zonnebank
  2. m bepaalde spiraalvormige zeeschelp
Hyponiemen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen