zaaien

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
[1] Zaaien.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zaai·en
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
zaaien
zaaide
gezaaid
zwak -d volledig

Werkwoord

zaaien

  1. overgankelijk zaad strooien
    • De tuinman ging de tuin zaaien. 
  2. overgankelijk veroorzaken of teweegbrengen
    • Hij wilde enkel onrust zaaien. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie