zaaien

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
[1] Zaaien.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zaai·en
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
zaaien
zaaide
gezaaid
zwak -d volledig

Werkwoord

zaaien

  1. (overgankelijk) zaad strooien
    De tuinman ging de tuin zaaien.
  2. (overgankelijk) veroorzaken of teweegbrengen
    Hij wilde enkel onrust zaaien.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie