zaaikoren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zaai·ko·ren
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zaaikoren -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

zaaikoren o

  1. het koren dat bestemd en/of gebruikt wordt voor het zaaien
    • Er was dit jaar een veel grotere vraag naar zaaikoren. 

Gangbaarheid

60 % van de Nederlanders;
75 % van de Vlamingen.