Naar inhoud springen

wilde

Uit WikiWoordenboek
  • wil·de
enkelvoud meervoud
naamwoord wilde wilden
verkleinwoord - -

dewildem

  1. iemand zonder beschaving
    • Het is weinig beleefd mensen voor wilden uit te maken. 

wilde

  1. verbogen vorm van de stellende trap van wild
vervoeging van
willen

wilde

  1. enkelvoud verleden tijd van willen
    • Ik wilde. 
    • Jij wilde. 
    • Hij, zij, het wilde. 
     De hoogleraar wilde kijken of er betere verklaringen konden worden gevonden voor crimineel gedrag. Hij wilde onder meer kijken naar de sociobiologische factoren die hierbij een rol zouden kunnen spelen.[1]
     Ik wilde met mijn hele hebben en houden op mijn rug in de overweldigende wildernis van Amerika slapen onder de sterren, nieuwe mensen ontmoeten, alleen met mijn gedachten door de bossen lopen en de vrijheid hebben om te gaan en te staan waar ik wilde.[2]
  • wou (iets informeler)
99 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[3]
  1. Bronlink geraadpleegd op 11 mei 2025 Weblink bron “Criminoloog Wouter Buikhuisen (91) overleden” (10 mei 2025), NOS
  2. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be