warmer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • war·mer
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord warmer warmers
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

warmer m [1]

  1. een voorwerp waarmee men iets kan opwarmen of warm houden
Hyponiemen
Vertalingen

Bijvoeglijk naamwoord

warmer

  1. onverbogen vorm van de vergrotende trap van warm
     Om te proberen wat warmer te worden pakte ik het grondzeil van mijn tent en wikkelde dit een paar keer als een cocon om mijn slaapzak heen.[2]

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be