warmer
Uiterlijk
- war·mer
- Naamwoord van handeling van warmen met het achtervoegsel -er[1]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | warmer | warmers |
| verkleinwoord | - | - |
de warmer m
- een voorwerp waarmee men iets kan opwarmen of warm houden
- bedwarmer, beenwarmer, bodywarmer, bordenwarmer, eierwarmer, flessenwarmer, handwarmer, kniewarmer, neuswarmer, oorwarmer, schotelwarmer
1.
warmer
- onverbogen vorm van de vergrotende trap van warm
- ▸ Ze hadden de beschikking over ijsblokjes en limonade en kamers waar het niet warmer werd dan 21 graden.[2]
- ▸ Om te proberen wat warmer te worden pakte ik het grondzeil van mijn tent en wikkelde dit een paar keer als een cocon om mijn slaapzak heen.[3]
- ▸ ' 'Waarom?' Johannes' stem wordt warmer als hij haar plaagt.[4]
- Het woord warmer staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "warmer" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
| 97 % | van de Vlamingen.[5] |
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ Cheryl Strayed“Wild : over jezelf verliezen, terugvinden & 1700 kilometer hiken” (2012), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789021803555 - ↑ Tim Voors“Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers

- ↑ Jessie Burton vert. Mieke Trouw-Luyckx“Het huis aan de gouden bocht” (2014), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789021809526 - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 6
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Achtervoegsel -er in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Bijvoeglijknaamwoordsvorm in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 99 %
- Prevalentie Vlaanderen 97 %