eierwarmer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

eierwarmer
Uitspraak
Woordafbreking
  • ei·er·war·mer
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord eierwarmer eierwarmers
verkleinwoord eierwarmertje eierwarmertjes

Zelfstandig naamwoord

eierwarmer m

  1. (huishouden) stoffen mutsje waarmee men een gekookt ei warm kan houden
     Bezoekers van de tentoonstelling, die op 31 maart opent, kunnen ook deelnemen aan workshops. Zo valt liturgisch bloemschikken te leren en is er een cursus eierwarmers breien voor Pasen. Schrijfsters als Kristien Hemmerechts en Manon Uphoff geven lezingen over zichzelf en de kerk. Vrouwen voor het voetlicht duurt tot 25 juni.[1]
     De woonkamer doet gelijk dienst als een soort etalage: op en rond een lange tafel is van alles te bewonderen van de hand van het drietal: geborduurde boekomslagen, handschoenen, vilten hangers en schilderijtjes, gehaakte kussenhoezen en plantenhangers en vilten eierwarmers met gehaakte bloemen erop.[2]
Vertalingen

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 20 december 2021 Weblink bron “Expositie over rol vrouwen in de kerk” (16 maart 2012), Reformatorisch Dagblad
  2. Bronlink geraadpleegd op 20 december 2021 Weblink bron Annemieke van der Wal op Wikipedia “Na haken en breien lijkt ook borduren te herleven” (5 april 2013), Reformatorisch Dagblad