voltrekken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vol·trek·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
voltrekken
voltrok
voltrokken
klasse 3 volledig

Werkwoord

voltrekken

  1. overgankelijk ten uitvoer brengen
    • Het vonnis werd hedenmorgen voltrokken. 
  2. wederkerend zich ~: gebeuren
    • Er voltrok zich een ramp. 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen