vocht

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vocht
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘vloeistof’ voor het eerst aangetroffen in 1477 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord vocht vochten
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

vocht o

  1. water dat iets doordrenkt of als damp aanwezig is
    • De muur zat vol met vocht en schimmels. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
vechten

vocht

  1. enkelvoud verleden tijd van vechten
    • Ik vocht. 
    • Jij vocht. 
    • Hij, zij, het vocht. 
vervoeging van
vochten

vocht

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van vochten
  2. gebiedende wijs van vochten

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen