vluchten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vluch·ten
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
vluchten
vluchtte
gevlucht
zwak -t volledig

Werkwoord

vluchten

  1. (ergatief) trachten te ontkomen aan dreigend gevaar
    De dieven vluchtten toen zij de politie de winkel binnen zagen komen.
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

vluchten mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord vlucht