vluchtte

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vlucht·te

Werkwoord

vervoeging van
vluchten

vluchtte

  1. enkelvoud verleden tijd van vluchten
    • Ik vluchtte. 
    • Jij vluchtte. 
    • Hij, zij, het vluchtte.